Marc van Oostendorp #1: Het Bureau

Marc van Oostendorp is taalkundige bij het Meertens Instituut en de Universiteit van Leiden. Allemaal dankzij de radio. Want op zijn twaalfde zette zijn vader eens, tijdens een lange autorit, de radio aan en hoorde hij een taalprogramma van de NOS. Toen wist hij dat hij taalkundige wilde worden.

#1: Het Nederlandse kantoorleven in bijna driehonderd afleveringen

Door: Marc van Oostendorp | Foto: Saskia Aukema

Hoe is het om te werken in een roman? Het overkwam mij vijftien jaar geleden. Ik kreeg een baan op het Meertens Instituut, dat model had gestaan in de roman ‘Het Bureau’, waarin de schrijver J.J. Voskuil duizenden pagina’s lang vertelt over zijn werk op datzelfde instituut.

De kamer naast de mijne werd bezet door de man die zich -volgens de schrijver- om het minste ongemak ziek meldde. Tijdens de lunch sprak ik met de medewerker die in zijn jeugd zo ambitieus was geweest. De vrouw die in het boek de hele tijd flauwe woordgrapjes maakte, nodigde me uit voor haar strijkkwartet.

Voskuil was zelf iets meer dan tien jaar eerder bij het Meertens Instituut vertrokken – woedend omdat men hem na zijn pensioen niet meer als ‘de baas’ zag. Zijn roman was al wel klaar, maar nog niet alle delen waren verschenen. Die kwamen allengs: zelfs dodelijk zieken die de uitgever smeekten om nieuwe delen in te zien kregen geen clementie. Je moest leven om het allemaal te mogen lezen. Voor de boekwinkels stonden rijen als er een nieuw deel verscheen.

De dagen nadat een nieuw deel verscheen was het stil op het Instituut. Er werd niet veel gesproken over de boeken. In de documentaire die de RVU in 1998 uitzond, wordt de sfeer uit die tijd aardig duidelijk: sommigen willen niets vertellen, anderen bezien Voskuils wraakactie met verbazing of met ironie. Het resultaat was, hoe dan ook, dat het Meertens Instituut voor veel mensen lange tijd gelijk kwam te staan aan Het Bureau.

Enkele jaren later verscheen een van de grootste hoorspelprojecten van de Nederlandse omroep: alle dialogen uit de roman verwerkt in een serie van enkele honderden aflevering van ieder een kwartier.
De personages in dat hoorspel waren natuurlijk enkele stappen verwijderd van de werkelijkheid om mij heen op kantoor – het waren interpretaties van acteurs, van interpretaties van scenarioschrijvers, van interpretaties die de romanschrijver gaf, van mensen die twintig jaar eerder op het Instituut werkten. Maar het is een bewijs van Voskuils schrijftalent dat je die mensen van kantoor nog steeds door al die interpretaties heen zag schemeren. Het zijn karikaturen, maar goed gelijkende.

Ik ben Het Bureau pas in de loop van de tijd, en vooral door het hoorspel, leren waarderen. In het begin was het nog vooral plichtsbesef dat me door de boeken heenjaagde: ik werkte er toch, ik kon toch niet negeren wat erover geschreven werd? In het hoorspel zit je wat minder opgesloten in het hoofd van de schrijver – de andere personages kunnen meer hun eigen leven leiden.
Vooral het hoorspel is daarmee een monument voor het Nederlandse kantoorleven in driehonderd afleveringen.
Vorig jaar is inmiddels de laatste personage met pensioen gegaan. Er is misschien nog een enkeling wiens naam ergens genoemd wordt, maar er zijn geen schimmen van hoorspelstemmen meer te horen in onze kantine.

Langzaam is de geest van Voskuil verdreven van de plaats waar ik werk.