Marc van Oostendorp #3: Gegrepen door het Griekse woord voor vrouw

Marc van Oostendorp is taalkundige bij het Meertens Instituut en de Universiteit van Leiden. Allemaal dankzij de radio. Want op zijn twaalfde zette zijn vader eens, tijdens een lange autorit, de radio aan en hoorde hij een taalprogramma van de NOS. Toen wist hij dat hij taalkundige wilde worden.

#3: Gegrepen door het Griekse woord voor vrouw

Door: Marc van Oostendorp | Foto: Saskia Aukema

Toen mijn vader in de vroege jaren tachtig tijdens een lange autorit de radio aanzette, gaf hij daarmee voorgoed een draai aan mijn leven. Er was een programma dat gepresenteerd werd door de in 1989 overleden presentator Jan Roelands, wiens stem door veel mensen als ‘de mooiste stem van de Nederlandse radio’ beschouwd werd. (Wie zich zijn radio- en tv-werk niet herinnert, kent misschien nog wel de chocoladereclame uit de jaren zeventig en tachtig waarin hij de zin ‘Gaat er wel eens een dag voorbij zonder Verkade?’ het collectieve onderbewustzijn instampte.)

Hij presenteerde het programma ‘Wat een taal’ en ik was verkocht. Ik luisterde voortaan niet alleen iedere week naar Roelands, ik wilde mijn leven lang alleen nog over talen nadenken, naar talen luisteren en talen leren.
Hij maakte een licht en veelzijdig programma, met zo min mogelijk gejammer over de verloedering en zoveel mogelijk ruimte voor verwondering en voorliefde over taal. Beroemde Nederlandse taalgeleerden deden mee, maar er kwamen ook mensen aan het woord die praktisch met taal aan het werk waren – taalleraren, tekstdichters en acteurs.

Een fascinerende reeks werd bijvoorbeeld gemaakt door het taalkundige echtpaar Frank Jansen en Marinel Gerritzen die net een tweeling hadden gekregen. Om de paar weken lieten ze een opname van die baby’s horen: ‘Bwaaahaaahaaaa!’ Waarna vader of moeder uitlegde hoe je in dat gekrijt kon horen welke nieuwe stap de kinderen in hun taalontwikkeling hadden gezet: ‘Ah! Hoor eens! Hier beginnen ze al verschil te maken tussen klinkers en medeklinkers!’

Die afleveringen blijken niet meer terug te vinden in de archieven. Er zijn nog wel mooie andere fragmenten te horen van Roelands’ taalprogramma, zoals een aflevering over het Grieks van een zomerreeks over Europese talen. Het is een radioprogramma van inmiddels om onbekende redenen achterhaalde traagheid, waarin Roelands minutenlang praat met een docente Nieuwgrieks voor Nederlanders, die zonder kennelijke tijdsdruk eindeloos mag vertellen over hoe het Griekse alfabet tegenwoordig klinkt. “Het zal nauwelijks nog baten,” zegt Roelands tegen de luisteraar, “u leert het toch niet meer.”
En lang gaat het over hoe je het Griekse woord voor vrouw precies moet uitspreken. Er spreekt een grenzeloze fascinatie uit voor taal, en een menselijke belangstelling voor de gesprekspartner. Mij heeft die fascinatie indertijd dus in ieder geval gegrepen – ik ben niet alleen taalkundige geworden, ik heb ook Grieks geleerd.

Tien jaar na Roelands’ dood verdween ook zijn taalprogramma. Daarna werd het lange tijd stil, totdat het een andere radioster lukte de publieke omroep ervan te overtuigen om toch weer een taalprogramma te maken - sinds de zomer van 2014 presenteert Frits Spits iedere zaterdag, tussen elf en één, zijn programma De taalstaat, waarin luisteraars heel korte verhalen kunnen insturen, veel ‘betere’ Nederlandstalige muziek wordt gedraaid en een taalkundige iedere week de taal van een Bekende Nederlander ontleedt. Ik weet zeker dat er inmiddels al ergens een vader de autoradio heeft aangezet en dat er een jongen of een meisje is gegrepen door de taal.

Meer columns