Marc van Oostendorp #4: Het wonder van sprookjes

Marc van Oostendorp is taalkundige bij het Meertens Instituut en de Universiteit van Leiden. Allemaal dankzij de radio. Want op zijn twaalfde zette zijn vader eens, tijdens een lange autorit, de radio aan en hoorde hij een taalprogramma van de NOS. Toen wist hij dat hij taalkundige wilde worden.

#4: Het wonder van sprookjes

Door: Marc van Oostendorp | Foto: Saskia Aukema

Dieren zullen nu nooit eens een sprookje vertellen. Natuurlijk, ook apen en poezen kunnen communiceren. Maar ze houden het dan alleen op het hier en nu: Ik moet nu eten! Kijk uit, er staat een roofdier achter je!
Het maken van plannen voor de verre toekomst, het eindeloos mijmeren over lang, lang geleden – dat maakt allemaal geen deel uit van de beestencommunicatie. Laat staan dat ze elkaar eindeloos verhalen kunnen vertellen over dingen die niemand ooit heeft gezien.

Sinds de negentiende eeuw is de wetenschap geïnteresseerd in sprookjes. Daar zijn allerlei redenen voor. In eerste instantie ging het vooral om de mondelinge overlevering: in navolging van de Duitse gebroeders Jacob en Wilhelm Grimm verzamelde het Meertens Instituut jarenlang volksverhalen omdat men hoopte dat deze via de mondelinge overlevering weleens terug te voeren zouden kunnen zijn op oud Germaans volksgeloof van lang, lang geleden.
Het leidde tot een grote database, de Nederlandse Volksverhalenbank, die inmiddels grotendeels op het internet staat.
De oorspronkelijke hoop bleek ijdel. Als je al een oud besje kon vinden dat nog een verhaal wist te vertellen dat ze van haar opoe had gehoord, die het háár oma ooit had horen vertellen, dan wist je nog steeds niet waar die betbetovergrootmoeder het verhaal vandaan had. Zelfs als het leek op een middeleeuws verhaal, wist je nog steeds niet of dat verre familielid het niet indertijd in een boek met middeleeuwse verhalen had gelezen.

Toch lieten sprookjes de wetenschap niet los. In de jaren zeventig bogen psychologen en pedagogen zich er bijvoorbeeld over: wat vertelt zo’n sprookje ons over het onderbewuste? Daarover gaat bijvoorbeeld deze documentaire uit 1974, waarin door kinderen spontaan opgediste fantasieverhalen door deskundigen worden ontleed. De verhalen zijn vaak origineler dan de analyses. Een jongetje vertelt een gruwelijk verhaal waarin de mensen verhongeren en uiteindelijk door de wilde dieren worden opgegeten. “En de wilde dieren leefden nog lang en gelukkig!” besluit het jongetje. “Kinderen hebben dat nodig, zo’n cliché, om zich veilig te voelen,” zegt de deskundige.

Maar behalve voor wetenschappelijke studie zijn die sprookjes natuurlijk ook nog steeds fijn om naar te luisteren. Je doet je ogen dicht en de woorden zullen bij je naar binnenkomen via het oudste kanaal dat ervoor is, de oorschelp. En zo vier je dat je mens bent en je kunt praten over alles wat je maar kunt verzinnen.
Onze wereld opent zich bovendien inmiddels ook voor sprookjes van elders, zoals in deze reeks van Sprookjes uit de Rif. Ook het sprookjesonderzoek gaat daardoor nieuwe kanten op: wat gebeurt er als sprookjes van verre hier aankomen? Welke sprookjes vertelt een moeder uit de Rif aan haar kinderen? Zitten Sneeuwwitje en Klein Duimpje daar ook nog bij, en in welke vorm? En raken omgekeerd de sprookjesfiguren uit Marokko ook geïntegreerd in het Nederlandse sprookjesbos? De fantasie kunnen volgen van mensen die zelf in een heel andere wereld leven dan de jouwe – ziedaar een wonder van de menselijke taal.
 

 

meer columns