Marc van Oostendorp #5: De afbrokkelende N

Marc van Oostendorp is taalkundige bij het Meertens Instituut en de Universiteit van Leiden. Allemaal dankzij de radio. Want op zijn twaalfde zette zijn vader eens, tijdens een lange autorit, de radio aan en hoorde hij een taalprogramma van de NOS. Toen wist hij dat hij taalkundige wilde worden.

#5: De afbrokkelende N

Door: Marc van Oostendorp | Foto: Saskia Aukema

Overstromingen, kabinetsformaties, burgeroorlog, aardbevingen, internationaal topoverleg: hoe kan een mens ooit het verschil horen tussen een nieuwsbericht van zestig jaar geleden en één van gisteren? Het is maar goed dat de taal ondertussen veranderd is – anders konden ze morgen een willekeurig bulletin uit de jaren vijftig uitzenden zonder dat iemand het merkte.

Nu hebben we in ieder geval de slot-n, dat is de ‘n’ die na een ‘e’ komt aan het eind van een woord als ‘fietsen’.

De nieuwslezer die in 1940 de inval van Duitsland in Scandinavië meldt spreekt nog iedere slot-n uit, niet alleen in ‘lopen’ of ‘leven’, maar ook in ‘wegens den ernstigen toestand’ of ‘het aanbreken van den dag’. In een modern nieuwsbulletin zijn die slot-n’en bijna allemaal verdwenen.

Dat het de n betreft aan het eind van een woord, is niet zo vreemd. De n is de minst opvallende van alle medeklinkers – je hoort vrijwel niet dat hij weg is. Er zijn ook bijna geen woorden die van elkaar verschillen doordat de ene wél een n heeft en de ander niet – ‘heiden’ en ‘heide’ behoren tot de weinige uitzonderingen. Talen slijten nu eenmaal op die manier – mensen laten klanken weg die niet nodig zijn voor beter begrip, dus in de loop van de tijd worden woorden steeds korter.

De slijtage is in stapjes gegaan. De n’en van den ernstigen toestand waren al in 1953 verdwenen uit het radionieuws. De verklaring daarvoor is eenvoudig: ze waren in die tijd inmiddels ook uit de officiële spelling geschrapt. Ook in 1940 al gebruikte niemand in het dagelijks spraakgebruik die n’etjes nog: het waren naamvalsuitgangen die waarschijnlijk zelfs al in de middeleeuwen hun natuurlijke gebruik in het Nederlands hadden verloren, maar in de schrijftaal nog lang waren blijven doorsudderen.

In de jaren zeventig is er iets gaan schuiven; de nieuwslezer uit 1970 zegt de slot-n’en nog bijna allemaal, maar die uit 1981 heeft het al duidelijk over ‘politieoptrede’ en ‘verbindinge die zijn verbroke’.
Aan de andere kant blijft de n nog wel vaak staan als hij helemaal aan het eind van een zin voorkomt (‘…op provinciale wegen.’). Daar beginnen mensen dan ook vanzelf wat trager en preciezer te praten.

Wie naar het nieuws van 12 september 2001 luistert, hoort bijna geen enkele slot-n meer; zelfs niet die in eigennamen als ‘Verenigde State’ of ‘Osama Bin Lade’.

Dat wil niet zeggen dat de slot-n sindsdien helemaal uit het radiojournaal verdwenen is. Je hoort hem nog steeds in ieder nieuwsbulletin wel een paar keer. Sterker nog, je hoort hem in ieder normaal gesprek dat mensen met elkaar voeren, ver weg, van iedere radiomicrofoon, opduiken. Het zou waarschijnlijk onnatuurlijk klinken wanneer iemand iedere slot-n zou weglaten; evenals iemand die ze allemaal zou uitspreken. Anno 2015 moet je sommige n’en zeggen.

Ondertussen knaagt het proces van slijtage door. Er valt denk ik weinig aan te doen – het wegvallen van de n hoort nu eenmaal bij onze taal, en iedere volgende generatie laat er weer wat meer weg.

Het eerste slot-n-loze journaal is denk ik tegen 2055 te verwachten.

Meer columns